De korte versie
Pensioen opbouwen voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) is in 2026 vooral een verhaal van afgesloten deuren en één goed begaanbaar pad. Het pensioen in eigen beheer (PEB) is sinds 1 juli 2017 dicht. Het bedrijfstakpensioenfonds (BPF) sluit de DGA in de meeste — maar niet álle — gevallen uit. Een formele commerciële DGA-pensioenregeling via een verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) — een gespecialiseerde, lichtere uitvoerder die premieovereenkomsten in de opbouwfase aanbiedt en beheert zonder zelf verzekeringstechnisch risico te dragen, en die sinds de Wet verbeterde premieregelingen (2016) ook variabele uitkeringen mag faciliteren — biedt de fiscale omkeerregel, maar is voor één deelnemer in een eenpersoons-BV doorgaans onevenredig duur. Voor verreweg de meeste DGA’s is een lijfrente in privé — bekostigd via een netto-loon-verrekening of rechtstreeks vanuit het privévermogen — de meest praktische, flexibele en kostenefficiënte oplossing. Daarnaast functioneert vermogensopbouw binnen de BV zelf (effectenportefeuille of vastgoed) voor veel DGA’s als informele aanvullende pensioenpot — geen formeel pensioen, wel een serieuze tweede pijler.
De grootste valkuil zit niet in de keuze van het instrument, maar in de boekhoudkundige uitvoering. Lijfrentepremies die de BV als oplopende rekening-courant-schuld (R/C) wegschrijft, kunnen niet drukken op de DGA en zijn daarmee niet aftrekbaar — sterker nog, ze kwalificeren als verkapt dividend met dubbele heffing tot gevolg. De wettelijke basis voor die uitsluiting is art. 3.130 lid 1 Wet IB 2001 ("voor zover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag"), niet kennisgroepstandpunt KG:070:2024:1 — die laatste gaat over iets anders, zoals we verderop zullen zien.
In dit artikel doorlopen we de routes, de jaarruimte en de reserveringsruimte voor 2026 — met de juiste cijfers van de Bijstellingsregeling 2026 — en de fiscale randvoorwaarden waarin je als DGA opereert.
Pensioen in eigen beheer (PEB) — gesloten, maar niet weggetoverd
Tot 1 juli 2017 was het PEB de gouden standaard: je hield pensioenreserves liquide in de BV en gebruikte ze als werkkapitaal. Sinds de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (Stb. 2017, 115) is nieuwe opbouw onmogelijk. Er liep een gefacilieerde afkoop- of omzettingsperiode tot en met 31 december 2019, met aflopende kortingen van 34,5% (2017), 25% (2018) en 19,5% (2019). Wie dat venster heeft gemist, heeft nu nog een bevroren PEB op de balans staan.
Welke afwikkelingsroutes resteren?
In tegenstelling tot wat vaak wordt geschreven, is WEV-afstorting bij een externe verzekeraar niet de enige optie. Een nog bestaande PEB kent in de praktijk drie routes:
- Premievrije voortzetting in eigen beheer — de aanspraak blijft op de BV-balans staan en op de pensioendatum gaat de BV zelf de uitkeringen betalen, belast met loonheffing.
- Externe afstorting tegen Werkelijke Economische Waarde (WEV) — de BV stort de commerciële waarde af bij een verzekeraar of bank. Door de jarenlange lage rente ligt de WEV vaak fors hoger dan de fiscale balanswaarde, met een forse liquiditeitsclaim als gevolg.
- Bij echtscheiding — een evenredige verdeling van een eventueel dekkingstekort tussen ex-echtgenoten conform HR 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:693), met als belangrijke aanvulling HR 14 februari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:276): in dat arrest bepaalde de Hoge Raad zowel het peildatum-aspect (de commerciële waarde voor afstorting wordt berekend op de datum van afstorting, niet op de echtscheidingsdatum) als de tekortverdeling (de rechter mag van een evenredige verdeling afwijken voor zover een dekkingstekort toerekenbaar is opgelopen aan de vereveningsplichtige).
De keuze hangt af van de balansverhoudingen in de BV, de liquiditeit en je toekomstplannen met de holding. Wat in alle scenario’s vaststaat: nieuwe opbouw in een PEB is definitief onmogelijk.
Bedrijfstakpensioenfonds (BPF) — meestal, maar niet altijd, niet verplicht
Veel DGA’s vrezen dat zij na de transitie naar het Wtp-stelsel alsnog onder een BPF vallen. Voor de doorsnee DGA met een holdingstructuur is die vrees terecht ongegrond, maar generiek "DGA = uitgezonderd" is juridisch te kort door de bocht.
De juridische basis
Verplichte deelneming in een BPF is geregeld in de Wet Bpf 2000 en wordt per bedrijfstak vastgelegd in een verplichtstellingsbesluit van de minister van Sociale Zaken. Of een DGA daaronder valt, hangt af van twee dingen: de werkingssfeer van het besluit (welke activiteiten onder het fonds vallen) én het werknemersbegrip dat het fonds hanteert.
- Werkingssfeer — een persoonlijke holding die zich uitsluitend bezighoudt met het beheren van kapitaal en aandelen valt vrijwel nooit binnen de werkingssfeer van een sectorfonds. SBI-codes voor persoonlijke holdings zijn na de KvK SBI 2025-herziening (september 2025): 64210 (Financiële holdings, opgesplitst van het oude 6420) of 70102 (Holdings, geen financiële).
- Werknemersbegrip — in veel BPF-reglementen wordt aangesloten bij het werknemersbegrip uit de werknemersverzekeringen. Bepalend is daar niet een vaste aandelenpercentage-grens, maar de zeggenschap over je eigen ontslag: op grond van art. 2 Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 telt iemand als DGA (en dus niet als werknemer voor WW/WIA/ZW) wanneer hij — al dan niet samen met echtgenoot of bloed-/aanverwanten tot de derde graad — zoveel aandelen of certificaten houdt dat hij over zijn ontslag kan beslissen. Een DGA met enkel 10% zonder ontslagblokkade is in beginsel wél verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De 10%-grens uit art. 1 Pensioenwet is een ánder DGA-criterium en geldt alleen daar.
Belangrijke uitzonderingen
Niet ieder fonds volgt deze lijn klakkeloos. De "Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016" (Stcrt. 2015, nr. 19073) trad in werking op 1 januari 2016; PFZW (Zorg en Welzijn) heeft per 1 juli 2016 de eigen verplichtstelling op deze regeling aangesloten en hanteert sindsdien een breder werknemersbegrip dat sommige DGA’s tóch onder de verplichtstelling brengt. De Stichting Pensioenfonds voor de Nederlandse Groothandel (SPNG) kent geen expliciete DGA-uitsluiting in haar regelement; de officiële verplichtstelling (Stcrt. 2015, nr. 19819) ziet bovendien uitsluitend op de sector Herwinning Grondstoffen — voor de bredere groothandel is alleen vrijwillige aansluiting mogelijk. Conclusie: ga er niet reflexmatig vanuit dat je als DGA vrijgesteld bent — check de verplichtstelling van het fonds in jouw bedrijfstak en de precieze formulering van het werknemersbegrip in het reglement.
Commerciële DGA-pensioenregeling via verzekeraar of PPI
Je kunt je holding een formele pensioentoezegging laten doen die je extern onderbrengt bij een verzekeraar of een Premiepensioeninstelling (PPI). Het fiscale voordeel is dat de omkeerregel (art. 11 lid 1 onderdeel c Wet LB 1964) van toepassing is: pensioenpremies behoren niet tot het loon en pas op de uitkeringsdatum vindt loonheffing plaats.
Voor een eenpersoons-BV is dit conceptueel zuiver, maar praktisch zelden rendabel. Je hebt te maken met:
- Pensioenreglement, uitvoeringsovereenkomst en pensioenovereenkomst — juridische documentatie die periodiek geactualiseerd moet worden.
- Actuariële toetsen en financiële verplichtingenstaat.
- Vaste opstart- en beheerkosten van de uitvoerder, die voor één deelnemer onevenredig zwaar drukken op de premie.
- Rigide reglementen — afwijken van standaard-staffels is duur.
Voor een MKB-bedrijf met een handvol werknemers kan deze route rendabel zijn (de DGA reist mee in de werknemersregeling); voor een eenpersoons-DGA-BV is het in vrijwel alle gevallen voordeliger om zelf in privé via lijfrente op te bouwen.
Bestaande ODV — geruisloze aanwending naar lijfrente
Wie tijdens de uitfaseringsperiode (1 juli 2017 t/m 31 december 2019) zijn PEB heeft afgestempeld en omgezet, heeft nu een Oudedagsverplichting (ODV) op de BV-balans staan. Deze rent jaarlijks op met een marktrente die bij ministeriële regeling (art. 12.3a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011) wordt vastgesteld als het rekenkundig gemiddelde van de door het Data Analytics Centre (DAC) — in de wettekst nog als "Centrum voor Verzekeringstatistiek (CVS)" aangeduid, in de praktijk hernoemd — van het Verbond van Verzekeraars gepubliceerde maandelijkse U-rendementen over het voorafgaande kalenderjaar. Voor 2026 bedraagt de marktrente 2,593%; deze wordt jaarlijks gepubliceerd door het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst (V&A 17-027 "Oprenting oudedagsverplichting"; overzicht U-rendementen en marktrenten op de CAP-website). Nieuwe stortingen zijn niet mogelijk.
Veel DGA’s willen de ODV alsnog van de balans halen, bijvoorbeeld om de holding goedkoper te kunnen liquideren. Op grond van art. 38p Wet LB 1964 mag je de resterende waarde fiscaal geruisloos aanwenden voor een externe bancaire lijfrenterekening of lijfrenteverzekering (art. 3.125 en 3.126a Wet IB 2001). Lid 5 van art. 38p (toegevoegd in 2023) verruimt dit ook ná ingang van de ODV.
Bronvermelding precisie: de route is bevestigd in het Verzamelbesluit Pensioenen, onderdeel 2.3 (en 2.4 voor aanwending na AOW + 5 jaar). De juiste vindplaats is Stcrt. 2023, nr. 18570 (gepubliceerd 10 juli 2023, inwerkingtreding 11 juli 2023, terugwerkende kracht tot 1 juli 2023). Het in oudere artikelen rondzwervende nummer 13641 is het besluitkenmerk, niet het Staatscourant-nummer.
Lijfrente in privé via de loonstrook — de praktische DGA-route
Voor verreweg de meeste DGA’s is een lijfrenterekening in privé de beste route. Je opent een geblokkeerde opbouwrekening bij een bank of broker en bouwt op tot je AOW-leeftijd, met aftrek in box 1 (art. 3.124 jo. 3.127 Wet IB 2001) en heffing pas op de uitkeringen (art. 3.100 Wet IB 2001).
Omkeerregel of niet?
Een veelgehoorde uitspraak is dat "de omkeerregel niet voor lijfrente geldt". Dat klopt strikt-juridisch — art. 11 Wet LB 1964 ziet alleen op pensioen — maar het is misleidend omdat het economisch effect identiek is: aftrek nu, heffing later. Zowel de Belastingdienst als de wetenschappelijke literatuur (waaronder het Werkgroep-rapport "Arbeidsvormneutraal pensioenkader: een logische vervolgstap" — Dietvorst c.s., Brochures Toekomstvoorzieningen Tilburg University, juli 2013) duiden lijfrente uitdrukkelijk aan als toepassing van de omkeerregel via een ander wettelijk spoor (3.124 Wet IB voor aftrek, 3.100 Wet IB voor heffing op uitkeringen).
De drukt-eis: hoe organiseer je de inleg veilig?
De gouden hoofdregel is dat de lijfrentepremie aantoonbaar op de belastingplichtige zelf moet drukken. Concreet betekent dat:
- Rechtstreeks vanaf je privérekening — simpel, waterdicht, geen discussie. Doen waar mogelijk.
- Werkgever betaalt rechtstreeks aan de aanbieder, verrekend met het nettoloon — ook waterdicht. Kennisgroepstandpunt KG:070:2024:1 bevestigt expliciet dat inhouding op het nettoloon voldoet aan de drukt-eis. Verlaging van het brutoloon is daarbij niet toegestaan — dan zou de premie niet drukken maar de heffing simpelweg verschoven worden.
Misverstand opgehelderd: KG:070:2024:1 (gepubliceerd 4 juni 2024, Kennisgroep verzekeringsproducten en assurantiebelasting) draagt de titel "Lijfrentebedragen werknemer door werkgever rechtstreeks betaald aan lijfrente-aanbieder" en gaat dus over de route nettoloon vs brutoloon. Het standpunt zegt niets over rekening-courantboekingen of verkapt dividend — die discussie volgt uit een ander artikel.
De R/C-valkuil: art. 3.130 Wet IB en het schuldig gebleven bedrag
Wat je moet vermijden is dat de BV de lijfrentepremie betaalt en de boekhouder dat aan het eind van het jaar wegschrijft als oplopende vordering op de DGA in rekening-courant. De wettelijke uitsluiting staat in art. 3.130 lid 1 Wet IB 2001:
"Premies voor lijfrenten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend, voorzover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag."
Boek je de lijfrentepremie weg in de R/C, dan ontstaat — of groeit — een schuld van de DGA aan de BV. Daarmee is sprake van een schuldig gebleven bedrag. Gevolg:
- De premie drukt niet en is niet aftrekbaar in box 1.
- De BV heeft een onzakelijke uitkering gedaan: de fiscus kan corrigeren naar verkapt dividend met dividendbelastingnaheffing.
- In box 2 betaal je daarover 24,5% (tot € 68.843 in 2026) of 31% daarboven.
Een nuance bij oprichting van een BV: als je een bestaande positieve vordering van de DGA op de BV hebt, mag een lijfrentepremie wel ten laste van die vordering worden geboekt — mits de boeking niet leidt tot een schuld. Zie het opvolgbesluit Lijfrenten van 17 december 2021 (Stcrt. 2022, 690), onderdeel 4.2.3 — opvolger van Besluit BLKB 2014/816 onderdeel 4.2.3 — en Hof Amsterdam 7 april 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1007), het zogenoemde "kasrondje"-arrest over een stakingslijfrente bij inbreng in een BV. Maar zodra het saldo naar negatief loopt, vervalt de aftrek voor het meerdere.
Jaarruimte 2026 (en 2025) — de juiste cijfers
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) heeft de inlegruimte voor lijfrente fors verruimd: percentage 30% (was 13,3%) en terugkijktermijn reserveringsruimte 10 jaar (was 7). De jaarruimte over jaar t wordt berekend met inkomensgegevens van jaar t−1. De basisformule:
Jaarruimte = 30% × premiegrondslag − (6,27 × factor A)
Daarbij geldt: premiegrondslag = pensioengevend inkomen − AOW-franchise, met een wettelijk maximum aan het pensioengevend inkomen. Let op: de inkomensgrens van € 137.800 is niet toevallig gelijk in 2025 en 2026 — die is via art. LVIIIA Belastingplan 2025 bewust bevroren. Omdat de AOW-franchise wel jaarlijks meestijgt, daalt de maximale jaarruimte over de hele inkomensgrens marginaal (€ 35.798 in 2025 → ± € 35.588 in 2026).
| Fiscaal gegeven | 2025 | 2026 |
|---|---|---|
| Max. pensioengevend inkomen (inkomensgrens) | € 137.800 | € 137.800 |
| AOW-franchise lijfrente | € 18.475 | € 19.172 |
| Max. premiegrondslag (= inkomensgrens − franchise) | € 119.325 | € 118.628 |
| Jaarruimtepercentage | 30% | 30% |
| Imputatiefactor (factor A × …) | 6,27 (overgangsrecht) | 6,27 (overgangsrecht) |
| Max. reserveringsruimte (10 jaar terugkijken) | € 42.108 | € 42.753 |
| Gebruikelijk loon DGA (norm) | € 56.000 | € 58.000 |
| Box 2 schijfgrens | € 67.804 | € 68.843 |
| Box 2 tarieven (laag / hoog) | 24,5% / 31% | 24,5% / 31% |
| Wet excessief lenen — drempel | € 500.000 | € 500.000 |
Bron: Bijstellingsregeling directe belastingen 2026 (Stcrt. 2025, 40487); Belastingdienst lijfrente; art. 3.127 Wet IB 2001; art. 12a Wet LB 1964; art. 4.14a Wet IB 2001.
Belangrijke nuance bij de imputatie 6,27 × factor A
De imputatie van 6,27 × factor A is niet universeel. Op grond van kennisgroepstandpunt KG:070:2024:3 gelden vier regimes:
- A1 — bestaande regeling op 30-6-2023, niet aangepast (art. 38q Wet LB 1964): eindloon, middelloon of oude beschikbare premie die onder overgangsrecht doorloopt — imputatie 6,27 × factor A.
- A2 — bestaande regeling, aangepast aan Wtp met leeftijdsoplopende premie (art. 38r Wet LB 1964): aparte imputatieformule A = Y/X × B + Z; geen vlakke 6,27.
- A3 — bestaande regeling, aangepast aan Wtp met vlakke premie: imputatie van de werkelijk betaalde ouderdoms- en partnerpensioenpremie (art. 10 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965).
- B — nieuwe Wtp-regeling met vlakke premie: eveneens imputatie van de werkelijk betaalde premie (art. 10 UBLB 1965). Geen factor A meer.
Voor de meeste DGA’s zonder externe pensioenregeling is factor A simpelweg 0 en speelt deze nuance niet — maar als je in loondienst óók pensioen opbouwt of je BV aansluit bij een PPI, check welk regime geldt vóórdat je je jaarruimte berekent.
Rekenvoorbeeld 2026
Bruto DGA-salaris in 2025 (peildatum t−1): € 80.000. Geen externe pensioenregeling, dus factor A = 0.
- Premiegrondslag = € 80.000 − € 19.172 = € 60.828
- Jaarruimte 2026 = 30% × € 60.828 = € 18.248
Voor 2025 (gebaseerd op inkomen 2024) zou dezelfde berekening zijn: € 80.000 − € 18.475 = € 61.525 → 30% = € 18.457. Naast de jaarruimte mag je ongebruikte ruimte uit de afgelopen 10 jaar inhalen via de reserveringsruimte, tot maximaal € 42.753 in 2026 (€ 42.108 in 2025).
Beleggen via de BV als informele oudedagsvoorziening
Naast de routes hierboven hebben veel DGA’s nog een vierde route om hun pensioen op te bouwen die zelden expliciet als "pensioen" wordt benoemd: de winst die in de BV blijft staan beleggen voor de lange termijn. Zodra je het gebruikelijk loon hebt opgenomen en de jaarruimte voor lijfrente in privé maximaal hebt benut, kan het overschot in de BV gebruikt worden als beleggingsvehikel — een effectenportefeuille, beleggingspand of een mix.
Belangrijk om te begrijpen: dit is geen formeel pensioen. De omkeerregel is niet van toepassing, er is geen vrijstelling van Box 3-heffing op die specifieke beleggingen (maar omdat ze in de BV zitten, vallen ze sowieso buiten Box 3 en in de vennootschapsbelasting). Het is een vorm van vermogensopbouw met BV-fiscaliteit — geen aparte pensioenstructuur. Je oudedagsvoorziening bestaat dan uit toekomstige dividenduitkeringen (Box 2) of een liquidatie van de holding op de pensioendatum.
Hoe werkt het fiscaal?
- Tijdens de opbouw — rendement (rente, dividend, koerswinst, huurinkomen) wordt belast in de vennootschapsbelasting: 19% tot € 200.000 winst, 25,8% daarboven. Voor langlopende effecten geldt geen deelnemingsvrijstelling — wel mag je waardestijgingen pas realiseren bij verkoop (goed-koopmansgebruik) of door voorzichtige waardering meedragen.
- Box 3 wordt vermeden — vermogen in de BV valt niet in Box 3. Voor DGA’s met substantieel privévermogen is dit relevant: de BV-route bespaart je het Box 3-tarief op die beleggingen, ten koste van VPB op het rendement.
- Op pensioendatum — je keert dividend uit (Box 2: 24,5% tot € 68.843, 31% daarboven in 2026) of liquideert de BV (eveneens Box 2). De gecombineerde druk op innovatie- of beleggingswinst (VPB + Box 2) komt voor de eerste schijf uit op circa 38,8%, voor de hoogste schijven op ~48%. Vergelijk dat met de gemiddelde tarief op een lijfrente-uitkering in box 1 (sinds 2025 drie schijven voor pre-AOW: 35,75% tot € 38.883, 37,56% tot € 78.426 en 49,5% daarboven in 2026) en de keuze is minder eenduidig dan vaak gedacht.
- Wet excessief lenen — leningen van de BV aan jou in privé tellen mee voor de € 500.000-drempel, dus de BV-belegde winst kan niet zomaar als lening naar privé worden doorgeschoven zonder fiscale consequenties.
Effectenportefeuille of vastgoed?
De twee meest voorkomende vormen:
- Effectenportefeuille in de BV — aandelen, ETF's, obligaties of trackers. Voordeel: liquide, gediversifieerd, lage transactiekosten. Nadeel: de BV is geen gunstig vehikel voor passieve beleggingen omdat (anders dan in privé) waardestijgingen via VPB worden afgeroomd én dividenden van Nederlandse vennootschappen zonder deelnemingsvrijstelling ook worden belast. Vaak zinvol als de BV winst maakt en je die niet als dividend wilt uitkeren (timing-instrument), niet als langetermijn-portefeuille-optimum.
- Vastgoed in de BV — een beleggingspand, bedrijfspand of meerdere panden in de holding of een aparte vastgoed-BV. Dit is een serieuze pensioenroute met eigen fiscale dynamiek: VPB op huur en exploitatieresultaat, afschrijvingsbeperking via WOZ-bodemwaarde — 100% sinds 2019 voor Vpb-doeleinden (gebouwen in eigen gebruik), pas sinds 2024 ook voor de IB met overgangsrecht voor investeringen 2021–2023 — overdrachtsbelasting bij aankoop en de afweging tegen het nieuwe Box 3-stelsel in privé. Wij hebben hier een uitgebreid rekenvoorbeeld voor: Beleggingspand verkopen of naar de BV? De complete 2026-afweging met rekenvoorbeeld oude vs. nieuwe box 3.
Combineren met lijfrente — meestal de slimste opzet
De praktijk laat zien dat een DGA niet hoeft te kiezen tussen lijfrente in privé óf BV-beleggen — beide routes vullen elkaar aan:
- Eerst de jaarruimte voor lijfrente in privé volledig benutten (€ 18.000–€ 42.000 per jaar inclusief reserveringsruimte). Aftrek tegen ~37–49,5% in box 1 nu, heffing later tegen lager verwacht tarief.
- Het overschot — winst die in de BV blijft staan na gebruikelijk loon, lijfrente-inleg en pragmatische reserves — kan in de BV worden belegd; de keuze tussen vastgoed, een effectenportefeuille of een combinatie hangt af van je persoonlijke situatie, risicoprofiel en horizon.
- Op pensioendatum: lijfrente-uitkering vanaf je 65e/AOW-leeftijd voor het basisinkomen, aangevuld met dividend uit de holding voor reizen, schenkingen aan kinderen of grotere uitgaven.
Vuistregel: behandel de BV niet als pensioenpot zonder vooraf na te denken over hoe je het geld terug naar privé krijgt. Een BV vol beleggingen die je als 70-jarige niet zonder forse Box 2-heffing kunt liquideren, is feitelijk geblokkeerd vermogen. Plan de afbouw mee in de opbouwfase.
Drie fiscale randvoorwaarden om scherp op te letten
1. Drukt-eis — de R/C-valkuil
Zie hiervoor: lijfrentepremies altijd via privé of via nettoloon-verrekening, nooit via een oplopende R/C-schuld (art. 3.130 lid 1 Wet IB). De gevolgen van een verkeerde boeking zijn niet alleen het verlies van de aftrek, maar potentieel ook een dividendcorrectie met box 2-heffing en boete.
2. Gebruikelijk loon (art. 12a Wet LB 1964)
Voordat je überhaupt aan substantiële pensioenreservering toekomt, moet je salaris uit de BV op orde zijn. De drie-drempel-toets van art. 12a Wet LB eist dat het DGA-loon minimaal het hoogste bedraagt van: (a) het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking (100%-regel sinds 2023), (b) het hoogste loon van een andere werknemer in de BV, en (c) het normbedrag — voor 2026 vastgesteld op € 58.000 (2025: € 56.000). De doelmatigheidsmarge van 25% is per 1 januari 2023 afgeschaft via Belastingplan 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 15) en geldt onherroepelijk niet meer.
Dit is geen pensioenartikel, maar het raakt elkaar: een kunstmatig laag DGA-salaris om vervolgens in privé met dat lage loon een lijfrentepremie te betalen, leidt tot een lagere jaarruimte én tot een gebruikelijk-loon-discussie met de fiscus. Beide kanten verlies je dus.
3. Wet excessief lenen — drempel € 500.000 (peildatum 31-12)
Sinds peildatum 31-12-2024 — de drempel is verlaagd van € 700.000 naar € 500.000 via amendement-Grinwis c.s. (Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 60; medeondertekenaars Inge van Dijk, Stoffer en Van Weyenberg) bij Belastingplan 2024 — wordt het deel van je schulden aan de eigen BV boven € 500.000 per peildatum belast als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 (art. 4.14a Wet IB 2001). Voor fiscale partners gelden de schulden samen. Box 2-tarieven 2026: 24,5% tot € 68.843, 31% daarboven.
Boek je lijfrentepremies in R/C, dan stapelt die schuld zich op. Met de jaarruimte 2026 van pakweg € 18.000 ben je in ~28 jaar over de drempel — louter optellen, dus zónder rendement op de lijfrente; in werkelijkheid groeit het saldo sneller — uitsluitend door pensioenstortingen. In de praktijk lopen DGA’s al sneller tegen de drempel aan omdat de R/C ook wordt gebruikt voor andere posten (auto, woning, belastingafdrachten).
Conclusie + actielijst
Pensioen voor de DGA in 2026 is geen ingewikkeld vraagstuk, mits je drie principes vasthoudt: (i) PEB en ODV alleen nog beheren of geruisloos aanwenden naar lijfrente, (ii) BPF per fonds verifiëren in plaats van reflexmatig vrijstelling aannemen, (iii) actieve opbouw via een lijfrente in privé met een waterdichte drukt-eis-administratie, en (iv) eventueel het overschot in de BV laten staan en beleggen als complementair vermogen. De jaarruimte is sinds Wtp fors verruimd, dus voor de meeste DGA’s is een fatsoenlijke oudedagsvoorziening goed haalbaar zonder ingewikkelde structuren.
- Inventariseer je balans — staat er nog een PEB of ODV op de BV-balans? Bespreek met je fiscalist of geruisloze aanwending naar lijfrente (art. 38p Wet LB) of WEV-afstorting de juiste route is.
- Bereken jaar- en reserveringsruimte met de juiste 2026-cijfers — AOW-franchise € 19.172, reserveringsruimte € 42.753, premiegrondslagmaximum € 118.628.
- Stort vanuit privé of via nettoloon-verrekening — nooit via R/C. Documenteer de inhouding op je salarisstrook.
- Check je BPF-status individueel — vooral als je werkmaatschappij in een sector zit met een actief BPF (zorg, groothandel, bouw, metaal). Vraag het verplichtstellings-besluit op.
- Monitor je R/C-saldo — blijf ruim onder € 500.000 om de excessief-lenen-heffing te ontwijken. Combineer met dividenduitkering binnen de eerste Box 2-schijf (€ 68.843 in 2026; met een fiscaal partner kun je via de inkomenstoerekening van art. 2.17 Wet IB 2001 het gemeenschappelijke box 2-inkomen vrij verdelen, waardoor effectief tot € 137.686 in de 24,5%-schijf valt).
- Verifieer je gebruikelijk loon — minimaal € 58.000 in 2026. Houd vacatures, CAO-data en marktbenchmarks bij als dossier voor de meest-vergelijkbare-dienstbetrekking-toets.
Bronnen
- Art. 3.100 Wet IB 2001 — heffing op belastbare periodieke uitkeringen (waaronder lijfrente).
- Art. 3.124 Wet IB 2001 — uitgaven voor inkomensvoorzieningen, drukt-eis.
- Art. 3.125 / 3.126a Wet IB 2001 — lijfrenteverzekeringen en bancaire lijfrente.
- Art. 3.127 Wet IB 2001 — jaarruimte (lid 1, 30%), reserveringsruimte (lid 2, 10 jaar), premiegrondslag (lid 3).
- Art. 3.130 lid 1 Wet IB 2001 — schuldig gebleven bedrag → R/C-uitsluiting.
- Art. 4.14a Wet IB 2001 — Wet excessief lenen, drempel € 500.000 (peildatum 31-12). (Art. 4.14b regelt aanvullend de toerekening van schulden van verbonden personen aan de aanmerkelijkbelanghouder.)
- Art. 11 Wet LB 1964 — omkeerregel pensioen (geldt formeel niet voor lijfrente; effect economisch identiek).
- Art. 12a Wet LB 1964 — gebruikelijk loon DGA, 100%-regel sinds 2023.
- Art. 38p Wet LB 1964 — geruisloze aanwending ODV naar externe lijfrente; lid 5 sinds 2023.
- Art. 38q Wet LB 1964 — Wtp-overgangsrecht voor bestaande pensioenregelingen.
- Wet Bpf 2000 — verplichtstelling per bedrijfstakpensioenfonds (verplichtstellingsbesluit).
- Wet uitfasering pensioen in eigen beheer (Stb. 2017, 115) — sluiting PEB per 1-7-2017, afkoopvenster t/m 31-12-2019.
- Bijstellingsregeling directe belastingen 2026, Stcrt. 2025, nr. 40487 — bedragen jaarruimte/reserveringsruimte en franchise 2026.
- Verzamelbesluit Pensioenen, Stcrt. 2023, nr. 18570 (10 juli 2023) — onderdeel 2.3 (en 2.4) ODV-aanwending.
- Kennisgroepstandpunt KG:070:2024:1 (4 juni 2024) — nettoloon-inhouding voldoet aan drukt-eis (NIET over R/C).
- Kennisgroepstandpunt KG:070:2024:3 — imputatie factor A: vier regimes A1/A2/A3/B (art. 38q vs art. 38r Wet LB vs Wtp-conform).
- Besluit Lijfrenten 17 december 2021 (nr. 2021-236684, Stcrt. 2022, 690), onderdeel 4.2.3 — opvolger van Besluit BLKB 2014/816 onderdeel 4.2.3; lijfrente bedongen bij oprichting BV ten laste van bestaande vordering.
- Amendement-Grinwis c.s. (Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 60) bij Belastingplan 2024 — verlaging drempel Wet excessief lenen van € 700.000 naar € 500.000 per peildatum 31-12-2024.
- Art. LVIIIA Belastingplan 2025 — bevriezing aftoppingsgrens / max. pensioengevend inkomen op € 137.800 voor 2025 én 2026 (politieke keuze, geen automatische indexatie).
- Werkgroep-rapport "Arbeidsvormneutraal pensioenkader: een logische vervolgstap" (Dietvorst c.s., Brochures Toekomstvoorzieningen Tilburg University, juli 2013) — duiding lijfrente als toepassing omkeerregel.
- Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 (Stcrt. 2015, nr. 19073, inwerkingtreding 1-1-2016), art. 2 — DGA-criterium voor de werknemers-verzekeringen: zeggenschap over eigen ontslag.
- Wet verbeterde premieregelingen 2016 + DNB-toetsingskader PPI — premiepensioeninstelling als aanbieder van premieovereenkomsten in opbouwfase, sinds 2016 ook variabele uitkeringen mogelijk.
- Belastingdienst.nl — Box 1-tarieven 2026: schijf 1 35,75% tot € 38.883, schijf 2 37,56% tot € 78.426, schijf 3 49,5% (pre-AOW). Drie-schijvenstelsel sinds 2025.
- Art. 12.3a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 — vaststelling marktrente voor ODV-oprenting (gemiddelde DAC-U-rendementen).
- V&A 17-027 "Oprenting oudedagsverplichting" — Centraal Aanspreekpunt Pensioenen Belastingdienst; jaarlijks overzicht U-rendementen en marktrenten (2026: 2,593%).
- Art. 2.17 Wet IB 2001 — toerekening van gemeenschappelijk box 2-inkomen tussen fiscale partners.
- Hof Amsterdam 7 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1007 — "kasrondje"-arrest: stakingslijfrente bij inbreng onderneming in BV; schuldig blijven via art. 3.130 lid 1.
- HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693 en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:276 — verdeling dekkingstekort PEB bij echtscheiding.
- Belastingdienst.nl — overzichten lijfrente-aftrek, gebruikelijk loon, Wet excessief lenen, Box 2 tarieven 2025/2026.
- KvK SBI 2025-herziening (september 2025) — codes 64210 (Financiële holdings) en 70102 (Holdings, geen financiële).
Laatste update: april 2026. Dit artikel biedt algemene informatie en is geen individueel fiscaal advies. Raadpleeg je fiscalist of pensioenadviseur voor jouw specifieke situatie.